| |
Onderzoek
naar lees- en spellingproblemen
Door
middel van onderzoek naar leercapaciteiten, lees- en spellingvaardigheid
en de informatieverwerking kunnen we vaststellen of de problemen
die een leerling heeft met lezen, spellen en/of de vreemde
talen het gevolg zijn van dyslexie of dat er andere oorzaken
zijn aan te wijzen. Voor het stellen van de diagnose dyslexie
gaan we uit van de definitie, zoals die door de commissie
Dyslexie van de Gezondheidsraad (1995) is opgesteld en die
voor de diagnose nader is uitgewerkt.
Wanneer dyslexie is vastgesteld stellen we een verklaring
op met daarin adviezen ten aanzien van faciliteiten die
op school en bij examens geboden kunnen worden. Tevens adviseren
we over eventuele remediale behandeling.
Een
onderzoek bestaat uit:
|
•
|
een
eerste gesprek van ongeveer een uur met ouder(s) en
leerling. In dat gesprek wordt nader ingegaan op de
vroege taalontwikkeling van de leerling, het leren lezen
en spellen op de Basisschool, problemen daarbij, de
hulp die gegeven is en op eventuele moeilijkheden die
worden ervaren in het Voortgezet onderwijs. Tevoren
wordt een uitgebreide vragenlijst naar lees- en spellingproblemen
opgestuurd. |
|
•
|
schriftelijk
onderzoek. Dit begint om 9.00 uur en duurt tot ongeveer
14.00 uur. |
|
•
|
mondeling
onderzoek. Dit wordt individueel afgenomen en duurt
ongeveer twee uur. |
|
•
|
adviesgesprek.
Hierin worden de onderzoeksresultaten voorgelegd, wordt
aangegeven of er wel of niet sprake is van dyslexie
en worden de adviezen besproken. |
|
•
|
schriftelijke
rapportage. Van de onderzoeksgegevens en de adviezen
wordt een verslag opgesteld dat ongeveer twee weken
later wordt opgestuurd. De eventuele dyslexieverklaring
wordt daar apart bij gevoegd. |
Bij leerlingen
in de bovenbouw van het Voortgezet Onderwijs en studenten
in MBO en HBO bij wie al veel begeleiding heeft plaatsgevonden,
kan soms met een verkort onderzoek worden volstaan. In dat
geval vindt geen eerste gesprek plaats. Wel moet de uitgebreide
vragenlijst worden ingevuld en opgestuurd.
|